De voorzitter: De heer Sauwens heeft het woord.
De heer Johan Sauwens: Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ten gevolge van de stijging van de brandstofprijzen zoeken de bedrijven, de lokale overheden en de particulieren naar mogelijkheden om het huishoudbudget wat te ordenen. Ze zoeken naar zuinige duurzame manieren van energievoorziening.
Mijnheer de minister, ik zou het vandaag met u willen hebben over de plaatsing van de privéwindturbines. Men zegt me dat het ruimtelijke kader daarvoor zou ontbreken. Er zijn wel een aantal afwegingen voor de grotere turbines en installaties. Voor de privéwindturbines ontbreekt echter het ruimtelijke kader.
Een windturbine wordt als een bouwwerk, een vaste inrichting beschouwd en het decreet betreffende ruimtelijke ordening schrijft voor dat een stedenbouwkundige vergunning vereist is alvorens dergelijke windturbines geplaatst kunnen worden. Dergelijke aanvragen zijn volgens het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 2002 niet vrijgesteld van het voorafgaandelijk advies van de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar en worden bijgevolg overgemaakt voor advies.
Het plaatsen van winturbines kan aanleiding geven tot geluidshinder en slagschaduw. Daarover bestaat echter geen echt wetenschappelijk onderzoek. Men meldt me wel dat er vanuit Azië en de Verenigde Staten nogal wat windturbines van redelijk bedenkelijke kwaliteit worden aangeboden.
De vraag is natuurlijk welk soort we zullen krijgen. Er wordt gezegd dat windmolens op bestaande daken kunnen worden geplaatst, met relatief beperkte ondersteunende werken. Die kunnen 5 meter hoog zijn. Men spreekt ook over pylonen tot 15 meter hoog, waar dan turbines op geplaatst worden. Het is duidelijk dat er een heel gamma aan windturbines in alle mogelijke vormen en kleuren aangeboden zou kunnen worden.
Ik wil het aspect hinder niet overdrijven. Nog niet zo lang geleden hebben we de televisieantennes van de daken gehaald. Het is dus belangrijk dat we een regeling uitwerken.
Er is ook het aspect burenhinder. Gisterenavond heb ik daarover nog met een gedeputeerde gesproken.?Als mijn buurman zijn molen niet smeert, begint die te piepen en kan ik niet slapen?, zei hij al lachend. Er zijn een aantal aspecten die binnen VLAREM (Vlaams Reglement op de Milieuvergunningen) nog niet geregeld zijn.
De kernvragen zijn: Welk soort turbines zullen we toelaten? En waar gaan we ze toelaten? Het ruimtelijk structuurplan creëert een kader voor de grotere turbines en geeft aan dat dergelijke turbines bij voorkeur gegroepeerd worden bij bestaande pylonen- of mastennetwerken, bruggen of andere opvallende elementen in het landschap.
We vrezen dat er een plotse wildgroei van windturbines komt. We willen echter de particulieren die inspanningen leveren om duurzame energie te produceren, niet ontmoedigen. Dat is wat vandaag gebeurt. Ik heb een rondvraag gedaan bij een tiental collega´s in de gemeentehuizen. Op enkele uitzonderingen na - Ham, Genk - worden de aanvragen afgewezen. In elk geval moet advies worden gevraagd. In 99 percent van de gevallen volgt echter een negatief advies. De vergunning zal dan ook geweigerd worden.
Er wordt ook meer en meer verwezen naar een of ander initiatief. Sommigen denken dat het nieuwe decreet op de ruimtelijke ordening zou zorgen voor een regeling. Ik heb daar echter niets over teruggevonden. Men mag ook niet werken naar analogie met andere masten of installaties. De meeste gemeentebesturen houden op dit moment de boot af. Er zijn echter wel tientallen en tientallen vragen. In de tien gemeenten die ik daarover heb aangesproken, zijn er zeker een vijftigtal aanvragen voor inlichtingen. Er is een zeer grote belangstelling. De markt zal zich organiseren. Het aanbod zal versterkt worden en de prijzen zullen dalen. Die kleinere turbines zijn vijftien meter hoog, dus die blijven niet binnen de algemeen opgelegde bouwhoogtes van de bijzondere plannen van aanleg (BPA). Wordt het visuele karakter aangetast, ja of neen? Dat is zeker een element dat moet worden afgewogen ten opzichte van de omgeving.
Vorig jaar stelde de heer Decaluwe een vraag over deze problematiek. Mijnheer de minister, u hebt toen gezegd dat u zou overleggen met de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG) en de gemeenten om te kijken welke problemen er zijn en welke oplossingen u naar voren kunt schuiven.
Laat Vlaanderen in 2008 het plaatsen van particuliere windmolens toe, ja of neen, en onder welke voorwaarden? Dat is eigenlijk de synthese van de vragen die ik schriftelijk heb ingediend.
De voorzitter: De heer Sintobin heeft het woord.
De heer Stefaan Sintobin: Mijnheer de voorzitter, het is duidelijk dat de vraag naar duurzame energie alleen maar toeneemt, en dat kunnen wij ook alleen maar toejuichen.
Mijnheer Sauwens, u hebt gelijk dat steeds meer particulieren informeren naar de mogelijkheid tot het plaatsen van een privéwindturbine. Naar aanleiding van uw vraag heb ik een kleine enquête gehouden in mijn regio. Daaruit blijkt hetzelfde als in uw regio.
Onze fractie is niet a priori gekant tegen de inplanting van privéwindturbines, maar een en ander kan en mag niet leiden tot een wildgroei. We kunnen ons al voorstellen tot welke disputen dat zal leiden. Mijnheer Sauwens, u had het nog over een gedeputeerde die belt naar iemand en vraagt om de windmolen te smeren, maar andere ervaringen leren dat burenruzies toch iets verder gaan en dat zou spijtig zijn.
Mijnheer de voorzitter, er is nood aan een welomlijnd en duidelijk kader. De bevoegdheid overlaten aan de ontvoogde gemeenten is een goede zaak inzake subsidiariteit, maar dan moeten de lokale besturen natuurlijk wel een welomlijnd kader hebben waarbinnen ze kunnen opereren. Daarom ondersteun ik, en ik denk iedereen, de vragen van de heer Sauwens.
De voorzitter: Mevrouw Schauvliege heeft het woord.
Mevrouw Joke Schauvliege: Mijnheer de voorzitter, ik sluit me volledig aan bij de vraag en bezorgdheid van de heer Sauwens. Ik zou willen verwijzen naar de discussie die we hierover al gehad hebben in de commissie, maar ik zou een en ander ook willen uitbreiden tot de fotovoltaïsche zonnecellen. Over de stedenbouwkundige aspecten hiervoor hebben we in de commissie al een zeer interessante discussie gevoerd. Mijnheer de minister, u hebt terecht gewezen op de visuele vervuiling.
In woningen waar niet eens deftige isolatie aanwezig is, overhaalt men toch mensen om zonnepanelen te plaatsen, terwijl dat eigenlijk veel minder efficiënt is dan isolatie aanbrengen.
Mijnheer Sauwens, u hebt verwezen naar het leefmilieuaspect. Dat geldt ook voor de fotovoltaïsche zonnepanelen. Ook over de schotelantennes hebben we de discussie al gevoerd. Ik denk dat we het ruimer moeten zien. Als we kijken naar de windmolens kunnen misschien nog nieuwe technologieën op de markt komen. Ik denk dat dringend op een rijtje gezet moet worden wat we nu eigenlijk willen, waar we naartoe willen en waar we prioriteit aan willen geven. Ik denk dat de Vlaamse overheid zich hierover moet buigen. Dat is niet alleen een stedenbouwkundig aspect, het blijft ook een aspect van leefmilieu en energie.
Ik heb minister Crevits gevraagd om aan de subsidie van zonnepanelen te koppelen dat het om efficiënte installaties moet gaan en dat ook de woningen voldoende geïsoleerd moeten zijn. Misschien moeten we bij de windmolens ook naar dergelijk systeem gaan. Ik denk dat het niet kan dat eenvoudige mensen, die het zich financieel misschien niet altijd kunnen permitteren, zich door een infoavond in de gemeente laten overtuigen om een windmolen in de tuin te zetten. Men doet dat liever dan isolatie aanbrengen, want een windmolen en een fotovoltaïsch zonnepaneel ziet men en dan ziet heel de buurt dat men milieubewust bezig is. Als men een dak isoleert en dubbel glas plaatst, ziet niet iedereen dat, maar het is wel veel efficiënter. Dat blijkt psychologisch effectief zo te werken. Het blijkt belangrijk te zijn dat men kan tonen hoe groen en bezorgd om het leefmilieu men is.
Ik denk dat we echt dringend een kader moeten uittekenen, maar dat het ruimer moet gaan dan alleen stedenbouwkundige aspecten.
De voorzitter: De heer Sannen heeft het woord.
De heer Ludo Sannen: Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ik denk dat we moeten stellen wat het probleem is. Ik denk, voortbouwend op de laatste tussenkomst, dat er geen groot probleem is dat degenen die een windmolen willen plaatsen dat eerder voor het zicht doen en minder vanuit een overtuiging. Op dit moment is er ook geen enkele subsidie voor windmolens, dus is er ook geen prioriteit. Als we het over zonnepanelen hebben en men voorziet in een subsidiëring, kan men daar voorwaarden aan verbinden. Voor de bouw van een windmolen, moet de particulier zelf de kosten ophoesten. Hij heeft daarna wel rechten op de groene stroom die geproduceerd wordt.
Ik heb het al eens aangehaald in de commissie, en het is ook een beetje de aanleiding van de vraag van de heer Sauwens, dat er in onze gemeente een vergunde windmolen is. Los van de vraag of we het al dan niet wenselijk achten, denk ik dat de overheid proactief moet zijn. Daarmee sluit ik me aan bij wat de heer Sauwens zegt.
Ik denk dat we als overheid toch een bepaald kader moeten formuleren en het niet alleen moeten overlaten aan de gemeenten. De opportuniteitsafwegingen kunnen binnen de gemeenten gebeuren, maar daarnaast is het wel nodig om een bepaald kader uit te tekenen waar men zich naar kan richten om een vergunning al dan niet te verlenen.
Voor de windmolen die in onze gemeente geplaatst is, kan men niet over visuele hinder spreken. Ik denk dat sommige zonnepanelen inderdaad veel meer visuele hinder veroorzaken.
Mijnheer Sauwens, zoals u zegt, is dit één model, dat beantwoordt aan één type. Er komt waarschijnlijk van alles op de markt en misschien ook in alle mogelijke kleuren en vormen. Als we niet proactief zijn, kunnen we moeilijk een bepaalde beweging terugdraaien.
Ik ben wel bekommerd over het visuele aspect, maar ook over mogelijke hinder die de windmolen zou kunnen veroorzaken. Slagschaduw is eerder beperkt. Ik denk niet dat een windmolen die 100 meter verder staat, veel slagschaduw zal veroorzaken. Maar ik kan me wel voorstellen dat andere types misschien wel andere hinder kunnen veroorzaken.
Ik sluit me dus aan bij de vraag. Of dit wenselijk is of niet, is evolutie. Ik denk dat we dat niet helemaal kunnen bepalen en sturen. Wat we wel kunnen sturen, is dat initiatieven van mensen minstens binnen een bepaald kader gebeuren. Als lokale overheden vergunningen geven, moeten ze dat ook vanuit een bepaald kader doen, zodat we kwaliteitsbewaking doen, zowel visueel als voor het product zelf.
Mijnheer de minister, ik vraag u om daar iets meer proactief werk van te maken, zodat gemeenten weten waar ze zich aan moeten houden.
De voorzitter: De heer De Klerck heeft het woord.
De heer Patrick De Klerck: Het is misschien een goede optie voor een aantal gemeenten om een lokaal plan te maken voor groene energie tout court. Ik denk dat we die discussie al eens gevoerd hebben en het is een lokale taakstelling. Het is duidelijk een opdracht van de lokale besturen, die daar al dan niet op kunnen ingaan.
Ook de provincies zijn volop bezig om windplannen te maken. West-Vlaanderen heeft recent - vorige week was er een informatievergadering met alle gemeentebesturen - een regionaal windplan gemaakt voor de verschillende regio´s binnen de provincie. Daarin staat duidelijk welke zones in West-Vlaanderen bij voorkeur in aanmerking komen voor windmolens.
Voor het toetsingskader wil ik toch verwijzen naar de bestaande omzendbrieven hierover. Daarin is duidelijk een toetsingskader aanwezig, bijvoorbeeld voor slagschaduw, de afstand tot de omwonenden en dergelijke. Een aantal zaken kunnen zeker als criterium naar voren worden geschoven.
De voorzitter: Minister Van Mechelen heeft het woord.
Minister Dirk Van Mechelen: Zoals mevrouw Schauvliege terecht stelde, hebben we een heel lange discussie gehad op 22 november 2007 over de problematiek van de kleine particuliere windmolens. De vraag werd gesteld door de heer Decaluwe.
Ik heb toen vooral beklemtoond dat het vergunnen van dergelijke windmolens een taak is van de lokale overheid. Het zijn dus de gemeentebesturen die al dan niet een vergunning verlenen, al dan niet na eerst advies te hebben ingewonnen van de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar.
Het is merkwaardig welke een kentering op zes maanden tijd kan plaatsvinden. Ik heb sowieso niet de intentie om stil te blijven staan. Wie vanmiddag het nieuws heeft gezien, kon vaststellen dat de prijs van een vat olie andermaal het record heeft gebroken. Niemand weet waar dit zal eindigen. Tanken maakt nu jaarlijks al een verschil van 600 euro binnen het gezinsbudget. Dat zet mensen aan tot creativiteit.
Op 22 november was besloten alles eens rustig te bekijken en na te gaan wat er op het terrein gebeurt. De bedoeling was een kader te formuleren, maar misschien zijn we door de feiten voorbij gehold. We moeten hier dan ook een tandje bijsteken.
Ik heb er toen ook op gewezen dat we een ongecontroleerde groei van kleine windmolentjes, windrotors, windvanen enzovoort, bij woningen, winkels, bedrijven enzovoort best zoveel mogelijk vermijden. Zo niet, komen we opnieuw terecht in de situatie van het Vlaamse antennelandschap.
Op dit moment beschikken we over heel weinig informatie over de hinderaspecten op langere termijn. Daar is ook weinig onderzoek naar. Ik stel wel vast dat er zowel over grote als kleine windmolens heel wat maatschappelijke controverse bestaat. Wie De Gazet van Antwerpen leest, heeft wellicht kunnen vaststellen dat er heel wat commotie bestaat over de windmolens die BASF heeft opgericht. De helft van het park is niet vergund. De molens die wel vergund zijn, blijken een substantiële hinder te vormen voor de inwoners van Berendrecht. Een correcte inschatting van de hinderaspecten blijkt dus minder evident te zijn dan we hadden vooropgesteld.
Voor de grote windmolens is er een duidelijk kader. Er is een beleidsvisie op Vlaams niveau in uitvoering. Voor kleine windmolens bestaat op dit ogenblik geen kader. De vraag is dan ook hoe het daarmee verder moet.
Ik heb navraag gedaan over het aantal aanvragen dat wordt ingediend. Dat aantal is momenteel vrij beperkt. Ik heb het Agentschap Ruimtelijke Ordening gevraagd om tellingen te houden. Daaruit blijkt dat er in 2007 minder dan tien aanvragen zijn ingediend. In 2008 zijn er tot nu toe een vijftal ingediend. Ik deel uw mening dat er heel veel vragen om informatie binnenkomen.
Eind vorig jaar hebben we beslist om de ingediende vragen te verzamelen. Het was de bedoeling te evalueren hoe een eventueel toetsingskader er zou moeten uitzien. We willen dat doen samen met de VVSG en de Interdepartementale Windwerkgroep die maandelijks vergadert.
Ik heb ook de vergelijking gemaakt met de problematiek van de gsm-masten. Daar hebben we in het begin ook heel wat moeilijkheden mee gehad. Na een tijdje kregen we vanuit Vlaanderen een beter zicht op wat er per gemeente moest gebeuren. We hebben een volledig richtlijnenkader uitgewerkt over de optimale locaties en de planningsvoorschriften.
Voor de windturbines kunnen we best het voorbeeld volgen van de problematiek van de gsm-masten. Daarbij moeten we nagaan hoe we dit gaan aanpakken en wie de vergunning zal verlenen. We hebben een belangrijke beslissing genomen door dit weg te halen bij de gemeentes en artikel 127 toe te passen via de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar die voor Vlaanderen bevoegd is.
Zoals u terecht stelde, de diversiteit van windmolens, -rotors en -vanen is enorm. De markt breidt fel uit. We moeten dus een regelgeving opstellen die niet door de technologische ontwikkelingen kan worden achterhaald. We hebben dat gezien met de fotovoltaïsche zonnepanelen. Daarvoor hebben we nu een goed kader. Als het ontwerp van decreet wordt goedgekeurd, laten we alle panelen vallen onder de meldingsplicht, zodat het snel kan gaan. Er is visuele vervuiling, maar het doel heiligt hier de middelen, al wil ik de fotovoltaïsche panelen niet vergelijken met windmolens. Ze kunnen op allerlei manieren worden aangebracht, op de gevel, op het dak en - zoals in Limburg - ook naast de woning. De ene vindt het prachtig, de andere vindt het ellendig. We moeten dus een behoorlijk kader uittekenen.
Op dit moment is er geen algemeen Vlaams toetskader. Wel zijn er vele provinciale initiatieven. Zowel in West- als Oost-Vlaanderen, en ook in Antwerpen, werkt men aan een beleidsvisie ten aanzien van de problematiek van de grotere windturbines. De provincie Oost-Vlaanderen heeft ook een hoofdstuk gewijd aan de kleinschalige of zogenaamde microturbines. We zijn die teksten gaan uitvlooien om geen dubbel werk te doen. Oost-Vlaanderen verdient felicitaties want men geeft daar een mooie oplossing voor dit probleem. Over de kleinschalige windmolens zegt men dat dit enerzijds zou kunnen leiden tot een te terughoudende houding van de lokale overheden tegenover deze technologie, doch anderzijds is het gepast inplanten van deze windmolens niet zo evident. Daarom formuleert het provinciebestuur een voorstel van visie om het plaatsen ervan aan te moedigen, maar geeft het tegelijk een voorbeeld waarin de inplanting niet of minder gewenst is om landschappelijke redenen of omwille van de mogelijke hinder ten opzichte van omwonenden of de natuur. De provincie waarschuwt dus voor de problemen met de microturbines en heeft daar een kader voor uitgewerkt.
In het ontwerp van beleidsdocument bakent het provinciebestuur van Oost-Vlaanderen vooreerst het begrip ´kleinschalige windmolen´ af, waarbij men let op de diversiteit in types en plaatsingsmogelijkheden. Vanuit dat overzicht stelt de provincie vast dat bepaalde types gevoeliger zijn voor turbulentie, dus meer geluid kunnen produceren en bijgevolg minder geschikt zijn voor een woonomgeving. Wat de schaal van de constructies betreft, stelt het provinciebestuur dat onder de ´kleinschalige molens´ die windturbines vallen die nog op schaal zijn van de desbetreffende omgeving. Wat betekent dat nu? Volgens de provincie is een goed referentieniveau de hoogte van gebouwen maar ook bomenrijen in de omgeving. Vanuit die afweging legt ze voor windmolens een hoogte vast van 10 meter voor de masthoogte tot 15 meter voor de wiekhoogte. Kleinschalige windturbines hebben door hun schaal veel beperktere effecten op hun omgeving, zowel op vlak van ruimtelijke uitstraling als wat de hinder betreft. In principe zouden ze dus in de onmiddellijke leef- en werkomgeving kunnen worden geplaatst. De specifieke aard van de omgeving heeft echter een bepalende invloed op het al dan niet hinderlijk zijn van kleinschalige windmolens, wat lokaal moet worden afgewogen en wat niet in een omzendbrief kan worden gegoten.
Vanuit dat onderscheid in omgevingen formuleert het provinciebestuur drie hoofdtypen van omgevingen: de woonkernen, de bedrijventerreinen en andere hoogdynamische locaties, en tot slot het buitengebied. Daarnaast stelt ze twee heel verschillende molentypes voorop. Enerzijds zijn er de wiektypes, wat in feite de kleine broertjes zijn van de grotere windturbines zoals we ze allemaal kennen. Anderzijds zijn er alle andere types die veelal op, aan of nabij gebouwen worden gemonteerd. Tegelijk maakt ze een onderscheid tussen de vraag of de constructies op een gebouw of vrijstaand worden opgericht. Op die manier komt de provincie Oost-Vlaanderen tot een matrixmodel waarin aangegeven wordt waar welk type wel of niet toelaatbaar kan worden geacht. Dit lijkt me een goede formule om nader te onderzoeken en te verfijnen op Vlaams niveau. Dit kan worden omgezet in een omzendbrief van de Vlaamse Regering. We moeten het op die manier aanpakken.
Vanuit de vaststelling dat sneldraaiende objecten in een dichtbebouwde woonomgeving storend kunnen overkomen, valt het te verkiezen de plaatsing van windmolens van het wiektype niet toe te staan in dichtbebouwde woonomgevingen. Bij grotere wooncomplexen zijn daarentegen wellicht wel verticale asturbines, geïntegreerd in het bouwontwerp, te overwegen en zelfs te verkiezen. Er zou op een meer alomvattende manier moeten worden ontworpen. Daarmee zou rekening moeten worden gehouden in het ontwerp van grootschalige projecten.
Bijzondere aandacht is aangewezen bij een ligging in beschermde stads- en dorpsgezichten of als het gaat om een woongebied met culturele, historische en/of esthetische waarde. Dat is een open deur intrappen. We zien nog niet meteen windmolens naast een kasteel staan. Dit wordt allemaal in overweging genomen. Binnen de open ruimte moet per definitie een terughoudend beleid worden gevoerd. Hier worden kleinschalige windmolens, en dan best van het schroeftype, slechts aanvaardbaar geacht als ze geïntegreerd worden bij gebouwen. Er moet aandacht worden besteed aan de visuele relatie met het gebouw zelf. Het provinciebestuur suggereert wat dat betreft een aantal richtlijnen met betrekking tot de hoogte. Dat is niet slecht.
De provincie Oost-Vlaanderen heeft in deze gepionierd. We moeten dat weten te waarderen. Op dit ogenblik zijn we vooral bezig met sensibilisatie en communicatie vanuit het agentschap naar de gemeentebesturen. Ik begrijp dat dit onvoldoende is. Uw opmerking is terecht. Het Agentschap Ruimtelijke Ordening heeft via de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaren en relatiebeheerders met de gemeenten de opdracht gekregen om dit mee te nemen in het overleg. Het gaat hier over een relatief nieuw fenomeen.
Dit dossier is binnen het agentschap ook besproken op het overlegplatform van stedenbouwkundige ambtenaren op 15 april jongstleden, naar aanleiding van uw opmerking dat men veeleer negatief was ingesteld. Er werd enerzijds geconcludeerd dat het niet wenselijk is om alle aanvragen voor particuliere windmolens de facto af te houden omdat een particuliere windmolen inderdaad vaak perfect aanvaardbaar kan zijn. Anderzijds wil men de gemeentes aanmoedigen om een beleid uit te stippelen op het eigen grondgebied.
Ik zal de ´case Oost-Vlaanderen´ zo snel mogelijk voorleggen aan het overlegplatform van de stedenbouwkundig ambtenaren, maar ook van de planologische ambtenaren om opmerkingen te formuleren. Ik zal dan proberen een omzendbrief op te maken om die in de loop van september aan de Vlaamse Regering voor te leggen. Ik neem de uitgestoken hand aan om er werk van te maken.
De voorzitter: De heer Sauwens heeft het woord.
De heer Johan Sauwens: Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. Er is op zeven maanden tijd een enorme evolutie gebeurd. Ik denk echter niet dat we mogen spreken over grote en kleine constructies. Er zullen heel veel tussenmaten komen. Ik denk aan appartementsblokken. Duurzame energie is ook een verkoopsargument. Het is een economisch gegeven geworden. Het is niet meer voor enkele idealistische pioniers. Puur financiële berekeningen leiden tot dergelijke oplossingen.
Ik heb veel sympathie voor de oefening die in Oost-Vlaanderen is gemaakt. Ze zeggen wel dat windmolens in open ruimtes liefst niet kunnen. Net in een open ruimte haalt een windmolen zijn grootste rendement. Daar loont de investering het meest. Iedereen die een beetje bezig is met de sector, weet dat. Het grote verschil met zonnecellen is dat dit bewegende mechanieken zijn. In het begin werken ze goed, maar na een tijd niet meer. We moeten daar erg behoedzaam mee omgaan.
De verschillende particuliere vragen zijn niet gebundeld kunnen worden. Kan er aan de gemeente een actieve regisseursrol worden toegewezen om aan de rand van woonwijken te zoeken naar systemen die de collectiviteit kunnen dienen in plaats van het pure particuliere gegeven? Persoonlijk vind ik dat het die richting moet uitgaan.
U wilt de oefening van Oost-Vlaanderen met uw mensen overdoen. Wanneer zult u aan de provinciale stedenbouwkundige diensten en de gemeenten wat duidelijkheid kunnen verschaffen? Zal dat volgend jaar zijn? Ik pleit ervoor dat dat nog dit jaar gebeurt. We willen absoluut ruimte creëren voor de zoektocht naar financieel interessantere vormen van energievoorziening, die tegelijkertijd duurzaam zijn en het milieu niet belasten.
Minister Dirk Van Mechelen: Ik ga daarmee akkoord. Ik was met mijn gemeente de pionier van de miniwaterzuiveringsstations. Dat is ondertussen de individuele behandeling van afvalwater (IBA) geworden die een algemeen karakter en omschrijving hebben gekregen en ook worden toegepast.
We moeten proberen om meer wetenschappelijk onderzoek te doen naar windmolens. We moeten mensen inderdaad behoeden voor stofzuigerverkopers, zoals mevrouw Schauvliege zegt. Net zoals de omzendbrief voor de grote windturbines moeten we heel snel een kader klaar hebben. Dat kan dan na zes maanden of een jaar worden bijgesteld. Ik vind het matrixsysteem op zich een goed systeem. Ik begrijp wel niet dat er naar rijen bomen wordt gekeken. Die staan er natuurlijk net om de wind tegen te houden. Ik ben bereid om dit te verfijnen. Mijn voorstel is om aan het overlegplatform te vragen dit in juni te agenderen. Dat moet dan zeer consequent worden besproken. In het najaar moeten we dan met een eerste voorstel komen. De procedure kan dan worden aangevat.
De voorzitter: De heer Sannen heeft het woord.
De heer Ludo Sannen: Mijnheer de minister, ik ben blij met uw antwoord. Er moet snel een kader komen. Uit Oost-Vlaanderen komen interessante aanzetten, maar we kunnen vragen stellen bij bepaalde zaken. Als er wieken zijn, moeten die bijvoorbeeld volledig in het gebouw worden geïntegreerd. Ik pleit voor een visuele relatie met het gebouw. Dat moet niet te stringent, maar wel kwaliteitsbewakend, niet alleen naar het landschap maar ook naar de producten en de aard van de producten die een vergunning zouden krijgen. Ik ben blij dat we in het najaar meer duidelijkheid zullen krijgen. Aan elke gemeente vragen om een hele visie te ontwikkelen, is een hopeloze zaak. Ik sluit me er wel bij aan dat een bewust gemeentebestuur moet nadenken over hoe er collectief iets kan gebeuren. Dat vraagt wel een gemeentebestuur dat op een bewuste manier bezig is met deze dingen.
De voorzitter: Mevrouw Schauvliege heeft het woord.
Mevrouw Joke Schauvliege: Ik wil nog een bemerking maken. Ik heb de minister horen verklaren dat hij een parallel met de gsm-antennes wil trekken. We hebben echter geen goede ervaringen met kleine antennes die niet op een nieuwe mast, maar op gevels, daken of bestaande hoogspanningsmasten worden geplaatst. Die zijn namelijk vrijgesteld van vergunning. Ik zou niet graag zien dat de windmolens die op daken worden geplaatst, ook van vrijgesteld van vergunning zouden worden. Op die manier zouden lokale besturen er immers niets meer over te zeggen hebben. Met de gsm-antennes is dit momenteel het geval. Vaak weten we niet dat er op appartementen, op schoolgebouwen en dergelijke antennes terechtkomen. Ik wil hiervoor waarschuwen. De minister kan beter geen vrijstelling voor die kleine windmolens voorstellen.
De voorzitter: De heer Martens heeft het woord.
De heer Bart Martens: Ik zou de minister willen danken voor het perspectief dat de omzendbrief biedt. Het lijkt me nodig om ook voor de kleine windmolens een omzendbrief te verzenden. Op die manier kan de ruimtelijke inplanting aan bepaalde voorwaarden worden onderworpen.
We zouden nog een stuk verder kunnen gaan. In het kader van het nieuw Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen zouden we de lokale besturen de taak kunnen geven ruimte voor collectieve investeringen in hernieuwbare energie te creëren. Er zijn al voorbeelden van gemeenten die hebben toegestaan dat bewoners in co?peratief verband aan bepaalde windmolenprojecten kunnen participeren. Ik denk hierbij aan de windmolens van Eeklo of van Volvo Trucks in Oostakker. De buurtbewoners kunnen aan die investeringen participeren, waardoor een lokaal maatschappelijk draagvlak ontstaat. Zo zien ze de eigen molen, bij wijze van spreken, draaien en opbrengen. Grotere molens hebben een veel hoger rendement per geïnvesteerde euro. Dit kan een alternatief zijn voor de goedmenende burger die in dergelijke vormen van hernieuwbare energie wil investeren. Indien we op lokale publieke gronden de ruimte creëren om dergelijke molens te bouwen, staan we de burger toe om hier op basis van allerhande financieringstechnieken, zoals co?peratieven, aan te participeren. Dit zou ons in staat stellen om een veel hoger rendement per geïnvesteerde euro te halen en om dergelijke installaties ruimtelijk te clusteren. Dit laatste kan de inpasbaarheid in de ruimte ten goede komen.
Ik wil hierbij opmerken dat een aantal Duitse steden, waaronder volgens mij Berlijn, de dakoppervlakten van hun eigen stedelijke gebouwen aan co?peratieven van inwoners verhuren. Op die manier kunnen die inwoners in zonnecelprojecten investeren.
We moeten over dergelijke modellen nadenken. Misschien kunnen we in het nieuw Ruimtelijke Structuurplan Vlaanderen niet enkel taken met betrekking tot nieuwe bedrijventerreinen en kmo-zones, maar ook taken met betrekking tot de capaciteit en het aanbod aan hernieuwbare energie inschrijven. We kunnen de lokale besturen die opdracht geven. Op zijn minst moeten we een kader met incentives creëren om de lokale besturen hiertoe aan te zetten.
De voorzitter: Minister Van Mechelen heeft het woord.
Minister Dirk Van Mechelen: Wat de laatste opmerking betreft, wil ik opmerken dat we met de typevoorschriften een kader hebben gecreëerd. Dit komt systematisch aan bod. De lokale besturen moeten hier aandacht aan besteden. Een samenspel van verschillende bevoegdheden moet dit stimuleren. Ik denk hierbij niet het minst en in eerste instantie aan het beleidsdomein Leefmilieu. Ik neem aan dat ook vanuit het beleidsdomein Economie incentives kunnen worden gegeven. Dit gebeurt trouwens al. Ik ben in elk geval beschikbaar.
De voorzitter: Het incident is gesloten.